Met affectieschade wordt de immateriële schade bedoeld, die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden of door het ernstig gewond raken van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.
Deze schade komt in het huidige Nederlandse recht niet voor vergoeding in aanmerking. Bij de totstandkoming van het huidige Burgerlijk Wetboek is er bewust voor gekozen, geen vergoeding mogelijk te maken. Het belangrijkste argument is dat affectieschade leidt tot commercialisering van het verdriet, waarbij bijvoorbeeld een weduwe, zolang de claim niet is gehonoreerd, haar verdriet “op peil” moet houden en onder meer geen nieuwe relatie zal kunnen aangaan. Bovendien vreesde men dat vergoedbaarheid van dit soort schade tot onsmakelijke procespraktijken kan leiden, omdat de aangesproken partij er belang bij heeft de kwaliteit van de affectieve relatie in twijfel te trekken.
In de afgelopen jaren is van verschillende kanten aangedrongen op een wettelijke regeling om vergoeding van affectieschade mogelijk te maken. De onmogelijkheid van vergoedbaarheid van affectieschade werd steeds minder begrepen, nu minder ernstige vormen van leed, zoals een bedorven vakantie of de ondergang van een bedrijf, naar bestaand recht wel tot vergoeding van smartengeld kunnen leiden.